Waarom en hoe moet je luchten?
Vetafscheidersystemen moeten worden geventileerd om corrosie, geurvorming en het ontstaan van explosieve atmosferen in de tank te voorkomen. Hiervoor worden ventilatieleidingen aangelegd die de luchtverversing tussen de afscheidingsruimte en de buitenlucht mogelijk maken. De doorsnede van de ventilatie moet daarbij minimaal overeenkomen met de doorsnede van de toevoerleiding. De exacte eisen voor de ventilatie van vetafscheiders zijn vastgelegd in de normen DIN EN 1825-1 en 1825-2 en DIN 1986-100.

Normen voor de toevoerleiding
De toevoerleiding van een vetafscheider wordt als ontluchtingsleiding over het dak aangelegd. Indien deze over een lengte van 10 meter in horizontale richting geen apart ontluchte aansluitleiding heeft, wordt deze zo dicht mogelijk bij de afscheider extra over het dak ontlucht. De extra ontluchtingsleiding mag met de toevoerleiding worden samengevoegd.

Normen voor nageschakelde opvoerinstallaties
Een opvoerinstallatie die op een vetafscheider is aangesloten, wordt afzonderlijk via het dak ontlucht. De ontluchtingsleidingen van de opvoerinstallatie en de vetafscheider mogen niet worden samengevoegd; er moet een duidelijke afstand worden aangehouden tussen de ontluchtingsopeningen van beide leidingen. Wanneer opvoerinstallaties onafhankelijk van een vetafscheider worden gebruikt, gelden er afwijkende normvoorschriften voor de ontluchting van de opvoerinstallatie.

F = vetafscheider, P = Monstername, RSE = terugstuwniveau
DIN EN 1825-2
Als de toevoerleiding boven de vetafscheider over een lengte van meer dan 10 meter geen aparte ontluchte aansluitleiding heeft, moet de toevoerleiding zo dicht mogelijk bij de vetafscheider worden voorzien van een extra ontluchtingsleiding.
① DIN EN 1825-2
Toevoer- en afvoerleidingen bij afscheiders voor vetten moeten voldoende worden geventileerd. Hiertoe moet de toevoerleiding als ventilatieleiding tot boven het dak worden geleid.
② DIN 1986-100
Toevoerleidingen en, indien van toepassing, de vetafscheider moeten overeenkomstig DIN EN 1825-2 in combinatie met DIN 4040-100 direct boven het dak worden be- en ontlucht. Aan deze ventilatieleidingen mogen geen andere ventilatiesystemen worden aangesloten.
③ DIN EN 1825-1
Afscheiders voor vetten moeten zo worden vervaardigd dat ventilatie tussen de toevoer- en uitloop mogelijk is. De ventilatiedoorsnede moet ten minste overeenkomen met de doorsnede van de toevoerleiding.

F = vetafscheider, P = Monstername, RSE = terugstuwniveau
① DIN EN 1825-2
De ventilatiekanalen van de toevoerleiding en, indien van toepassing, van de vetafscheider kunnen worden samengevoegd tot één gezamenlijke afvoer.
② DIN EN 1825-2
Indien de toevoerleiding boven de vetafscheiderinstallatie over een lengte van meer dan 10 meter geen afzonderlijk ontluchte aansluitleiding heeft, moet de toevoerleiding zo dicht mogelijk bij de vetafscheiderinstallatie worden voorzien van een extra ontluchtingsleiding.




