
Geschikte plaats voor installatie
Opvoerinstallaties op de vloerplaat worden vaak geplaatst in technische ruimtes, fietsenstallingen, kelderruimtes of bijruimtes. Soms worden ze ook direct in ondergrondse parkeergarages geplaatst. Hierbij is het belangrijk om te letten op de berijdbaarheid van het putdeksel (zie ook belastingsklassen voor afwateringstechniek).
De schacht mag zich niet in de invloedssfeer van aangrenzende funderingen bevinden, d.w.z. minimale afstand a = afstand tussen onderkant schacht en onderkant fundering:
a = ΔH x 1,73
inbouwdiepte
Bij de planning moet de exacte inbouwdiepte worden bepaald. Deze wordt meestal bepaald door de riolering, die onder de vloerplaat met een verval naar de opvoerinstallatie wordt aangelegd. De totale diepte moet worden bepaald vanaf het niveau van de vloerplaat tot aan de bodem van de riolering bij de toevoer van de opvoerinstallatie. Uit deze afmeting volgt de exacte productconfiguratie.
De KESSEL-opvoerinstallaties Aqualift M Underfloor, waarvan de schacht vanwege de compacte afmetingen (LW 400) niet begaanbaar is, mogen vanwege de toegankelijkheid voor onderhoudsdoeleinden maximaal 80 cm diep worden ingebouwd (gemeten vanaf OKFFB tot het buisniveau van de riolering bij de toevoer).
Grondwater
Bij pompstations in de vloerplaat moet rekening worden gehouden met de dompeldiepte van de schacht in het grondwater en moet dit worden gecontroleerd met het gekozen product. De meeste pompstations en opvoerinstallaties van KESSEL mogen tot 3 m in het grondwater worden ondergedompeld zonder dat er aanvullende maatregelen ter voorkoming van opwaartse druk hoeven te worden genomen.
a. Toevoerleiding (riolering)
- De toevoerleiding naar de opvoerinstallatie moet worden ontworpen en geïnstalleerd in overeenstemming met de geldende normen. Alle leidingen moeten zo worden aangelegd dat ze vanzelf kunnen leeglopen.
- De leidingen mogen in de stromingsrichting gezien niet worden vernauwd.
- Richtingsveranderingen van basis- of verzamelleidingen mogen alleen worden uitgevoerd met bochten ≤ 45°.
- Overgangen naar grotere nominale diameters moeten worden gemaakt met overgangsstukken of andere geschikte verbindingen (bijv. overgangspakking). In verzamelverbindingsleidingen moeten excentrische overgangsstukken met de top gelijk worden ingebouwd. Om de inspectie te vergemakkelijken, moet de inbouw in rioleringen gelijk met de bodem plaatsvinden.

De aansluiting van de persleiding is uitgevoerd in PE DN 80 (DA = 90 mm).
KESSEL adviseert het gebruik van in de handel verkrijgbare PE-HD-elektrische lasmofverbindingen.

Als alternatief kan de drukleiding ook worden aangesloten met in de handel verkrijgbare Klemverbindingen
(zie KESSEL-toebehoren, art.nr. 28090/28091/28092).
b. Persleiding
- De drukleiding bij opvoerinstallaties in de vloerplaat moet vanaf de opvoerinstallatie naar het dichtstbijzijnde referentiepunt in de ruimte worden geleid. Dit gebeurt meestal onder de vloerplaat tot aan de dichtstbijzijnde muur. Daar wordt de drukleiding door de vloerplaat geleid.
- Bij een waterdichte vloerplaat moet de doorvoer door de vloerplaat worden afgedicht. Dit kan gebeuren door middel van een voeringbuis met afdichtingsinzetstuk of een muurkraag.
- Drukleidingen onder de vloerplaat zijn blootgesteld aan de bodem en moeten hiervoor geschikt zijn. Hier worden drukleidingen van PE-HD of PVC gebruikt.
- Bij kleinere drukleidingdiameters (tot DN40/DA50) kan gebruik worden gemaakt van de KESSEL-drukleidingsset (toebehoren). Bij grotere drukleidingdiameters (vanaf DN40/DA50) adviseert KESSEL de aansluiting van een in de handel verkrijgbare HD-PE-buis.
c. Ontluchtingsleiding
- Bij opvoerinstallaties wordt de ontluchtingsleiding in de vloerplaat rechtstreeks op het reservoir aangesloten. Afhankelijk van het type installatie zijn hiervoor directe aansluitingen of Boorvlakken voorzien.
- De ontluchtingsleiding moet vanaf de opvoerinstallatie naar het dichtstbijzijnde referentiepunt in de ruimte worden geleid. Dit gebeurt meestal onder de vloerplaat tot aan de dichtstbijzijnde muur. Daar wordt de ontluchtingsleiding door de vloerplaat geleid.
- Bij een waterdichte vloerplaat moet de doorvoer door de vloerplaat worden afgedicht. Dit kan gebeuren door middel van een voeringbuis met afdichtingsinzetstuk of een muurkraag.
- Ontluchtingsleidingen onder de vloerplaat zijn blootgesteld aan de grond en moeten hiervoor geschikt zijn. Daarom wordt hier een in de handel verkrijgbare KG- of KG2000-buis gebruikt. De kleinste beschikbare maat is DN 100. Hierdoor wordt de ontluchtingsleiding onder de vloerplaat in DN 100 aangelegd. Later, binnen het gebouw, kan de ontluchtingsleiding met een HT-buis (of iets dergelijks) ook in min. DN 70 worden voortgezet.
d. Mantelbuis
- Bij opvoerinstallaties wordt de mantelbuis in de vloerplaat rechtstreeks op het reservoir aangesloten. Afhankelijk van het type installatie zijn hiervoor directe aansluitingen of Boorvlakken voorzien.
- De kabel moet met een lichte verval (wij adviseren 1-2%) naar de opvoerinstallatie worden aangelegd, zodat eventueel ontstaan condenswater kan wegvloeien en de kabels niet permanent in het water liggen.
- Bij een waterdichte vloerplaat moet de doorvoer door de vloerplaat worden afgedicht. Dit kan gebeuren door middel van een voerbuis met afdichtingsinzetstuk of een muurkraag.
- Mantelbuisen onder de vloerplaat zijn blootgesteld aan de grond en moeten hiervoor geschikt zijn. Daarom wordt hier een in de handel verkrijgbare KG- of KG2000-buis gebruikt. De kleinste beschikbare maat is DN 100. Hierdoor wordt de mantelbuis onder de vloerplaat in DN 100 aangelegd.



