Geschikte plaats voor installatie
Ondergrondse pompstations zijn uitermate geschikt om geluid en geuren naar buiten af te voeren. Ze kunnen worden ingebouwd in groen- en binnenpleinen, maar ook in verkeersgebieden (bijv. straten, parkeerplaatsen of opritten). Hierbij is het belangrijk om te letten op de berijdbaarheid van het putdeksel (zie ook belastingsklassen voor afwateringstechniek). Bovendien moet rekening worden gehouden met de officiële voorschriften. In drinkwaterbeschermings- of overstromingsgebieden kunnen speciale eisen gelden voor de inbouw van pompstations of kan dit zelfs volledig verboden zijn.
De put mag zich niet in de invloedssfeer van aangrenzende funderingen bevinden, d.w.z. minimale afstand a = afstand tussen onderkant put en onderkant fundering: a = ΔH x 1,73
Grondwater
Bij pompstations die in de grond worden geplaatst, moet rekening worden gehouden met de diepte waarop de schacht in het grondwater komt te staan en moet dit worden gecontroleerd met het gekozen product. De meeste KESSEL-pompstations mogen tot 3 meter in het grondwater staan zonder dat er aanvullende maatregelen tegen opwaartse druk hoeven te worden genomen.
inbouwdiepte
De inbouwdiepte van een pompstation wordt meestal bepaald door de aanvoerende riolering. Alle andere afvoerleidingen worden hierop afgestemd. Het is belangrijk om deze diepte vanaf het begin nauwkeurig te bepalen, aangezien hieruit de volledige systeemopbouw voortvloeit. Zo kan een volledige configuratie worden uitgevoerd.
De volgende onderdelen moeten altijd worden gepland:
- Toevoerleiding
- Drukleiding
- Ontluchtingsleiding (bij fecaliënhefinstallaties en bij gesloten opvoerinstallaties)
- mantelbuis
- Locatie van de besturingskast
a. Toevoerleiding (riolering)
- De toevoerleiding naar de opvoerinstallatie moet worden ontworpen en geïnstalleerd in overeenstemming met de geldende normen. Alle leidingen moeten zo worden aangelegd dat ze vanzelf kunnen leeglopen.
- De leidingen mogen in de stromingsrichting gezien niet worden vernauwd.
- Richtingsveranderingen van basis- of verzamelleidingen mogen alleen worden uitgevoerd met bochten ≤ 45°.
- Overgangen naar grotere nominale diameters moeten worden gemaakt met overgangsstukken of andere geschikte verbindingen (bijv. overgangspakking). In verzamelverbindingsleidingen moeten excentrische overgangsstukken met gelijke top worden ingebouwd. Om de inspectie te vergemakkelijken, moet de inbouw in rioleringen op gelijke hoogte met de bodem plaatsvinden.

De aansluiting van de persleiding is uitgevoerd in PE DN 80 (DA = 90 mm).
KESSEL adviseert het gebruik van in de handel verkrijgbare PE-HD-elektrische lasmofverbindingen.

Als alternatief kan de drukleiding ook worden aangesloten met in de handel verkrijgbare klemverbindingen
(zie KESSEL-toebehoren, art.nr. 28090/28091/28092).
b. Persleiding
1. Ook voor pompstations buiten het gebouw geldt: de persleiding moet via het terugstuwniveau langs de bodem van de terugstuwlus worden geleid. De terugslagklep dient niet als terugstuwbeveiliging, maar heeft uitsluitend tot taak te voorkomen dat het reeds verpompte afvalwater terug kan stromen naar de pompruimte. Er zijn de volgende mogelijkheden om de persleiding bij buiteninstallaties boven het terugstuwniveau te leiden:
- terugvoeren naar het gebouw
- in een bijgebouw (garage, schuur of iets dergelijks)
- in een buitenkast (zie hieronder)
- in een aarden wal (aardeafdekking afhankelijk van de klimatologische omstandigheden)
Als leidingen in vorstgevoelige ruimtes worden geïnstalleerd, bijvoorbeeld in garages, moet de drukleiding tegen vorst worden beschermd.
2. Drukleidingen in de grond moeten hiervoor geschikt zijn. Hiervoor worden drukleidingen van PE-HD of PVC gebruikt
c. Ontluchtingsleiding
Om de gassen die zich in de reservoirs van de opvoerinstallaties vormen veilig af te voeren, moet elke installatie voorzien zijn van voldoende be- en ontluchting. Bovendien moet de onderdruk in het reservoir, die door het leegpompen kan ontstaan, worden gecompenseerd.
a. Bij pompstations in de grond wordt de ontluchtingsleiding direct op het reservoir aangesloten. Afhankelijk van het type installatie zijn hiervoor directe aansluitingen of Boorvlakken voorzien.
b. De ontluchtingsleiding kan als volgt worden uitgevoerd:
- als aparte leiding over het dak
- als neven- of secundaire ventilatie over het dak
- parallel aan een buitenliggende regenpijp over het dak
- met een ontluchtingskap op het terrein
Bij de ontluchting van het pompstation moet erop worden gelet dat de ontsnappende gassen geen overlast voor de bewoners veroorzaken. Er moet voldoende afstand tot ramen, deuren en aangrenzende percelen worden aangehouden.
c. Ontluchtingsleidingen liggen bloot aan de grond en moeten hiervoor geschikt zijn. Daarom wordt hier een in de handel verkrijgbare KG- of KG2000-buis gebruikt. De kleinste beschikbare maat is DN 100. Hierdoor wordt de ontluchtingsleiding in de grond in DN 100 aangelegd. Later, binnen het gebouw, kan de ontluchtingsleiding met een HT-buis (of iets dergelijks) ook in min. DN 70 worden voortgezet.
d. Mantelbuis
a. Bij pompstations in de grond wordt de mantelbuis direct op het reservoir aangesloten. Afhankelijk van het type installatie zijn hiervoor directe aansluitingen of Boorvlakken voorzien.
b. Het moet met een lichte verval (wij adviseren 1–2 %) naar de opvoerinstallatie worden aangelegd, zodat ontstaand condenswater kan wegvloeien en de kabels niet permanent in het water liggen.
c. Mantelbuisen worden blootgesteld aan de bodem en moeten hiervoor geschikt zijn. Daarom wordt hier een in de handel verkrijgbare KG- of KG2000-buis gebruikt. De kleinste beschikbare maat is DN 100. Hierdoor wordt de mantelbuis in de grond in DN 100 aangelegd.
e. Locatie van de besturingskast
Bij pompstations buiten het gebouw is de planning van de elektriciteit en de besturingskast bijzonder belangrijk. In de regel zijn er hier twee scenario's.
a. Als het pompstation zich in de directe omgeving van het gebouw bevindt, kan de mantelbuis het gebouw binnen worden geleid om de elektriciteit daar onder te brengen. Hiervoor is vaak een technische ruimte geschikt. Mocht het in algemeen toegankelijke ruimtes worden geplaatst, dan is het belangrijk dat het tegen ongeoorloofde toegang wordt beschermd. Bovendien moet de mantelbuis vakkundig worden afgedicht om binnendringend vocht of ongedierte te voorkomen.
b. Omwille van onderhoudsdoeleinden en ook vanwege de planning wordt de besturingskast vaak in buitenkasten ondergebracht. Hierbij bevindt de besturingskast zich in de buurt van het pompstation, zodat deze voor onderhoudsdoeleinden direct toegankelijk is. Hierbij wordt de mantelbuis van het pompstation rechtstreeks naar de buitenkast geleid.

buitenkast
Bij pompstations in de grond worden vaak buitenkasten gebruikt, omdat deze de installatie en planning vergemakkelijken. De besturingskast en de terugstuwlus kunnen in één buitenkast worden ondergebracht. De buitenkast wordt centraal vanuit het gebouw van stroom voorzien. Hiervoor moet een stroomtoevoer worden voorzien. In de buitenkast bevinden zich de besturingskasten van de opvoerinstallatie en een vorstbeveiliging ter bescherming van de drukleiding.
Buitenkasten beschikken meestal over een apart waarschuwingslamp. Toch moet bij de planning rekening worden gehouden met de vraag hoe een storingsmelding het best kan worden doorgestuurd. Optioneel kan via de KESSEL GSM-modem TeleControl een storingsmelding per sms worden doorgestuurd.



